Leidse Vertaling 1912/1994 | Book List

Navigation

 

Genesis 1

1 Toen God een aanvang maakte met de schepping van hemel en aarde--

2 de aarde was woest en vormeloos, duisternis heerste op den oceaan, en Gods geest dekte het water--

3 sprak God: Er zij licht! en er was licht.

4 En God zag dat het licht goed was. Nu maakte God scheiding tussen het licht en de duisternis

5 en noemde het licht dag en de duisternis nacht. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de eerste dag.

6 God sprak: Er zij een uitspansel midden in het water, om water van water te scheiden!

7 Alzo geschiedde het. God maakte het uitspansel en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven.

8 Toen noemde God het uitspansel hemel. En God zag dat het goed was. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de tweede dag.

9 God sprak: Vloeie al het water dat onder den hemel is in een plaats samen, opdat het droge te voorschijn kome! Alzo geschiedde het.

10 Het droge noemde God land, en de samenvloeiing des waters zee. En God zag dat het goed was.

11 God sprak: Brenge de aarde planten voort: zaaddragende gewassen en vruchtbomen die op de aarde naar hun aard vrucht dragen waarin hun zaad is. Alzo geschiedde het.

12 De aarde deed planten uitspruiten, gewassen die naar hun aard zaad dragen, en bomen die vrucht dragen, waarin hun zaad is, naar hun aard. En God zag dat het goed was.

13 Zo was het avond geweest en morgen geweest: de derde dag.

14 God sprak: Dat er lichten aan het uitspansel des hemels zijn, om scheiding te maken tussen den dag en den nacht, en om te dienen tot voortekenen en voor feestgetijden, dagen en jaren;

15 zij zullen tot lichten zijn aan het uitspansel des hemels, om op de aarde licht te geven. Alzo geschiedde het.

16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over den dag, het kleinste om over den nacht heerschappij te voeren, benevens de sterren;

17 en God plaatste ze aan het uitspansel des hemels, om de aarde te verlichten,

18 om te heersen over den dag en over den nacht en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.

19 Zo was het avond geweest en morgen geweest: de vierde dag.

20 God sprak: Wemele het water van levende wezens, en vliege het gevogelte over de aarde langs het uitspansel des hemels. Alzo geschiedde het.

21 God schiep de grote draken, en al de zich bewegende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun aard, alsmede al het gevleugeld gevogelte, naar zijn aard. En God zag dat het goed was.

22 Toen zegende God hen, zeggende: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, vervult het water in de zeeen, en worde het gevogelte talrijk op de aarde.

23 Zo was het avond geweest en morgen geweest: de vijfde dag.

24 God sprak: Brenge de aarde levende wezens voort, naar hun aard, vee, kruipende dieren en gedierte des velds, naar hun aard. Alzo geschiedde het.

25 God maakte het gedierte des velds naar zijn aard, het vee, in soorten, en alle kruipende dieren der aarde, naar hun aard. En God zag dat het goed was.

26 God sprak: Laten wij mensen maken als ons evenbeeld, ons gelijkende; opdat zij heersen over de vissen der zee, het gevogelte des hemels, het vee, al het wild gedierte en alle dieren die op de aarde kruipen.

27 Zo schiep God den mens als zijn evenbeeld; als beeld van God schiep hij hem; man en vrouw schiep hij hen.

28 Toen zegende God hen en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, bevolkt de aarde, onderwerpt haar aan u, en heerst over de vissen der zee, het gevogelte des hemels en al het gedierte dat op de aarde kruipt.

29 Ook zeide God: Zie, ik geef u alle zaaddragende gewassen die op de ganse aarde zijn, en alle bomen waaraan zaadhoudende vruchten zijn; u zullen zij tot spijs dienen.

30 Maar aan al het gedierte des velds, aan al het gevogelte des hemels en aan alwat op de aarde kruipt, aan alwat bezield is, geef ik alle groene gewassen tot spijs. Alzo geschiedde het.

31 En God zag dat alwat hij gemaakt had zeer goed was. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de zesde dag.