Leidse Vertaling 1912/1994 | Book List

Navigation


 

Jeremia 30

1 Het woord dat van den Heer tot Jeremia is gekomen:

2 Zo zegt de Heer, Israels god: Schrijf alwat ik tot u gesproken heb in een boek.

3 Want zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik het lot van mijn volk Israel en Juda zal wenden, zegt de Heer, en hen terugbrengen in het land dat ik aan hun vaderen gegeven heb, zodat zij het in bezit nemen.

4 Dit nu is wat de Heer aangaande Israel en Juda gesproken heeft;

5 want zo zegt de Heer: Kreten van schrik hebben wij gehoord; angst, en geen heul!

6 Doet navraag en ziet, of ooit een man baart; waarom zie ik dan iederen man met de handen op de lenden als een barende, en ligt de lijkkleur op ieders gelaat?

7 Wee! want die dag is groot, zonder weerga, een tijd van nood is het voor Jakob; doch hij zal er uit gered worden.

8 Te dien dage, spreekt de Heer der heirscharen, zal ik zijn juk van uw hals afnemen en breken en de banden die u knellen stukrijten; en niet langer zullen vreemden hem dienstbaar maken,

9 maar zij zullen den Heer, hun god, dienen en David, den koning, dien ik hun verwekken zal.

10 En gij, vrees niet, mijn dienaar Jakob, spreekt de Heer, en versaag niet, Israel; want zie, ik red u uit verre oorden, en uw kroost uit het land hunner ballingschap. Jakob zal weerkeren en rust genieten, onbezorgd en door niemand opgeschrikt.

11 Ik toch ben met u, spreekt de Heer, om u te redden; want ik zal te gronde richten alle volken werwaarts ik u verstrooid heb; maar u zal ik niet te gronde richten: ik zal u met mate tuchtigen; doch u ongestraft laten, dat doe ik niet.

12 Want zo zegt de Heer: Onheelbaar is uw breuke, smartelijk uw wond;

13 niemand neemt het voor u op om u te helpen; gij hebt geneesmiddel noch heelpleister.

14 Al uw minnaars hebben u vergeten, naar u vragen zij niet; want gelijk een vijand slaat heb ik u geslagen, met een wreede tuchtiging.

15 Wat krijt gij over uw breuke, over het ongeneeslijke uwer smart? Om de grootheid uwer schuld, om de menigte uwer zonden, heb ik u dit aangedaan.

16 Daarom zullen verslonden worden allen die u verslinden, en al uw vijanden in ballingschap heengaan, allen; wie u plunderen, zullen geplunderd worden, en wie u buitmaken zal ik allen overgeven ten buit.

17 Want ik zal u heelvlees doen opkomen en u van uw wonden genezen, spreekt de Heer; omdat men u een verstotene noemt: Dit is Sion, waarnaar niemand vraagt!

18 Zo zegt de Heer: Zie, ik wend het lot van Jakobs tenten, en erbarm mij over zijn woningen; herbouwd wordt de stad op haar heuvel, en de burcht zal liggen op zijn oude plaats;

19 van beide gaan lofliederen uit en feestgedruis; ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet afnemen; ik zal hen in ere brengen, en zij zullen niet geminacht worden.

20 Zijn zonen zullen zijn als eertijds, zijn gemeente heeft bestand voor mijn aangezicht; en ik zal al zijn verdrukkers straffen.

21 Zijn machthebber zal uit hemzelf stammen; zijn heerscher uit zijn midden voortkomen; ik doe hem naderen, en hij zal mij genaken. Immers, wie zou ooit zijn leven in de waagschaal stellen om mij te genaken? spreekt de Heer.

22 Dan zult gij mij ten volk, en ik zal u ten god zijn.

23 Zie, een storm van den Heer! verbolgenheid barst los! een stormwind vaart daarheen! op het hoofd der schuldigen komt hij neer.

24 De blakende toorn des Heeren zal niet aflaten, eer hij de raadslagen zijns harten heeft volvoerd en tot stand gebracht; ten laatste zult gij dit inzien.